|
Mijn Ruta Maya
Deel I
.jpg) .jpg) .jpg)
Over
ruïnes en een picnic
© Derk Cools,
Curaçao 2005
Een reis door het
Rijk der Maya’s in Midden-Amerika in april en mei van het
jaar 2004
langs oude Maya-steden
Chichén Itzá en
Palénque, Uxmál en Toniná, Copán, Quiriguá, Tikál en Tulúm.
De Ruta Maya is een fascinerende tocht langs
de Maya steden in het regenwoud van midden-Amerika. Van huis uit geograaf
is de schrijver van dit boekje, Derk Cools (1939) vooral geboeid door de
ruïnes en hun uitwerking op de bezoeker. De vaak beklemmende en macabere
sfeer van de dode steden stemt hem tot nadenken over ruïnes, hun
acoustiek, stille isolement, tastbaar verval en melancholie. In
overeenstemming hiermee heeft hij een ‘dicht’vorm gezocht om de afbraak en
het verval in beeld te brengen. Afwisselend staccato dan weer
andante. Soms buitelend dan weer wiegend. Chichén Itzá, Uxmál, Toniná,
Palénque, Copán en Quiriguá, Tikál en Tulúm, het zijn onvergelijkbare,
unieke Maya steden des doods.
‘Yet travel has always had
something mysterious in it, because it is an expectation of the
not-yet-known.’
in A
book of Luminous Things, blz 107. Czeslaw Milosz
‘And since poetry is an
expression of wondering at things, landscapes, people, their habits and
mores, poetry and travel are allied.’
in A book of Luminous Things blz 75.Czeslaw Milosz
'At the most we gaze at it in wonder, a kind of wonder which in itself is
a form of dawning horror, for somehow we know by instinct that outsize
buildings cast the shadow of their own destruction before them, and are
designed from the first with an eye to their later existence as ruins.’
in Austerlitz blz. 19 in de engelse vertaling. W.G. Sebald
Tikal, El Mundo Perdido
‘About 400 m southwest of the Great Plaza is el Mundo Perdido, a large
complex of 38 structures with a huge pyramid in its midst. The
pyramid , 32 m high and 80 m along its base, has a stairway on each side.
It had huge masks flanking each stairway but no temple structure on the
top... The central pyramid’s flat top offers beautiful views and makes a
great place for a picnic, weather permitting.’
in Lonely Planet blz. 368
Voorwoord
Een jaar geleden maakte ik een korte reis
langs de beroemde Ruta Maya in Midden- Amerika. Het heeft even geduurd
voordat ik de toon en vorm gevonden had voor wat ik schrijven wilde. De
klok tikte door. En dat hielp. Ik keek naar de reis op afstand en zag
dingen bijeen, die van elkaar niet wisten. Ik spon draden, een web waarin
ook andere herinneringen bleven hangen. Wie ooit de Maya steden, hun
ruïnes en reconstructies heeft bezocht, zal hiervan niet opkijken. Het
gaat werkelijk over deze dode steden verborgen in het regenwoud. Hun
acoustiek, de angst en de schaduwen. Over hun onvermoede uitwerking op de
geest. De lezer zal misschien zeggen: was ik daar ooit?
Al vroeg in mijn jeugd wilde ik een reis
langs de Ruta Maya maken. Een wens die al lang in vergetelheid was
geraakt, verdrongen misschien wel door een geheimzinnige kracht, die uit
de diepte van mijn instinct deze offercultuur en zijn verschrikkelijk
moorden verwierp. Dat ik deze reis toch heb gemaakt is min of meer toeval,
te danken aan de suggestie van een vriend. En achteraf ook een soort
eerbetuiging aan mijn eigen jeugd toen de Maya cultuur nog beelden opriep
van een raadselachtige ondergang van een strijdbare beschaving in het
tropisch regenwoud.
Nu is er de herinnering aan een reis.
Grillige gestalten en verdwijnende voetstappen. Piramides, tempels,
ruïnes. Stof en geuren. Steen en gras. Struikel niet over de treden,
de losse keien, over je droom. Oker is de kleur van de Maya wereld, het
zonlicht weerkaatst op de dode steden in het regenwoud. Een plek van licht
omringd door schaduw. Het angstaanjagende prijs gegeven. De architect en
de bouwers zijn spoorloos. Het balspeelveld is leeg. De gevangene
onthoofd. De koning dood. Wreedheid in steen en mooi verpakt. De
herinnering melancholisch, de werkelijkheid een ruïne of erger nog een
monument? De Lonely Planet spoort aan tot een picnic op de top van een
piramide. Een majestueus uitzicht. De catastrofe is overal en rondom
zichtbaar. Lees de hiërogliefen, bekijk het stucwerk, volg de dieren, daal
af in Xibalba, de onderwereld en herken de wereld als in strijd. In de
verte hoor je misschien ook het ratelen van tanks en de dreunende
bommenwerpers van deze eeuw. Alledaagse achtergrondmuziek van deze tijd.
Zoals het oude terugkeert in nieuwe gedaante. Geen nieuwe lente, maar dode
steden. Steeds meer dode steden over de aarde. Oker. Het zonlicht. Een
ontregeling der zinnen.
Het schrijven kan beginnen. Ik maak een
rondgang door de Maya ruïnes als herinnering aan wat ten gronde gaat. Ik
schrijf anecdotes in ‘dichtvorm.’ Een achterwaartse gedachtengang gaat als
van zelf over in een slingergang door Indianen dorpen, traditionele
stadjes van Spaanse oorsprong, dode steden, reconstructies in het dichte
regenwoud. Een vlechtwerk van verbeelding en werkelijkheid, een
eigensoortige DNA helix, waaraan het leven bungelt als aan een zijden
draadje.
Met dank aan de vriend, die de reis
mogelijk maakte en de opgewektheid zelve bleef.
Deel I
Ruïnes en Melancholie
Het is een merkwaardige geschiedenis, deze
reis van slechts drie weken in het late voorjaar van 2004 langs de Maya
route over het Mexicaanse schiereiland Yucatán en door het
Midden-Amerikaanse Guatemala, Honduras en Bélize. Het behoorde te regenen,
het regende niet. Ik droomde, maar ik droomde niet. De ruïnes verborgen
ruïnes. Mijn voetstappen verloren hun echo in het magisch theater van de
Maya ruïnes. Soms verdween mijn gevoel voor ruimte, beving me de
duizeling. Heel even tijdens de val werd ik de wereld van de Maya’s
gewaar.
Ik schreef notities zoals ik gewoon ben te
doen op reis. Aantekeningen maakte ik over de piramides en tempels, de
hoge stèles van steen en de wijde plaza’s, de stenen maskers van de
regengod Chac, de muurreliëfs en reusachtige zoömorfen, van de rituele
steden en de cenotes, het tropisch regenwoud, de bergen. Ook noteerde ik
de hostels en eethuisjes. Het roezemoezig straatleven, de te grote
busstations en de muzikale busritten, ze waren als de barokke versiering
in oude schilderijlijsten. Met ruïnes hadden ze weinig van doen. Onderweg
overviel me soms een gevoel van vervreemding - zoals wanneer je naar
iemand kijkt, die grijnst. Een surrealistisch gevoel, achteraf gezien
misschien ook een vaag vermoeden, waarom de reis, al zo lang in gedachten
en herhaalde malen uitgesteld en tenslotte vergeten, uiteindelijk toch
werd ondernomen. Naderhand heb ik nog menig bladzij gelezen over het soms
gruwelijk pantheon van de Maya goden en koningen met hun onuitsprekelijke
namen en zo aardig vertaald bijvoorbeeld als Onweer Lucht, Koning Achttien
Konijn en Koning Rook Schelp, Jaguar Penis e.a. De vernuftige maan- en
zonkalender en de Popol Vuh met het scheppingsverhaal hebben me vaak terug
geplaatst in de tijd. Voor kort, maar indringend, zonder omwegen.
‘Zijn ruïnes slechts ruïnes?’ heb ik me
tijdens en na de trip vaak afgevraagd. Zomaar een vraag in de verstikkende
hitte van het regenwoud. Ik herinner me van school dat in de late
negentiende eeuw ruïnes in Europa het symbool waren voor romantiek.
Talloze schilderijen getuigen daar nog van. Dichters en dromers en
geliefden zochten hun toevlucht tot ruïnes, waarschijnlijk om zich
verbonden te voelen met de vervlogen werkelijkheid, het verleden.
Romantiek in een verindustrialiserende wereld bij wijze van nostalgie naar
wat ver weg is, voorbij en nog slechts droombaar. Een onstilbaar verlangen
naar wat ooit bestaan heeft, maar verdwenen of aan het blote oog
onttrokken. Ruïnes als zichtbaar aandenken, tastbare herinnering aan het
onzichtbare. Waar de geest van het verleden nog rond dwaalt of zich laat
oproepen. Was het een romantische droom om de ruïnes van het Maya rijk te
bezoeken, een hang naar het verleden ondergegaan in het vergeten? Wie
kende niet de afbeeldingen en foto’s van half in het regenwoud verscholen
Maya piramides, tempels en stèles? En de halve verhalen over rituele
moorden van krijgsgevangen vijanden?
Ruïnes zijn meer dan romantiek. Ze
bezitten een kwetsbare robuustheid en zwijgzame onverschrokkenheid. Ruïnes
zijn onweerstaanbaar, maar broos. Ze zijn de uitkomst van een proces,
waarvan de logica met moeite en soms in het geheel niet te achterhalen is.
In zoverre behoren ruïnes tot het labyrint ontworpen door de tijd en de
natuur, de onverbiddelijke godheden verantwoordelijk voor hun ontstaan en
levensloop.
De eerste ruïne zag ik toen ik zestien
jaar was. Met een jongere broer maakte ik mijn eerste fietstocht naar het
buitenland. We hadden nog fietsen zonder versnelling en vervoerden onze
tent en kampeeruitrusting in fietstassen aan weerszij op de bagagedrager.
Het was een zware bepakking en we moesten flink trappen, wanneer er
wind stond of de weg omhoog ging. We bleven daarom zoveel mogelijk op vlak
terrein tussen de lage weilanden, de akkers en langs de langzame rivier.
Op een dag gingen we de grens over om familie te bezoeken in Aken. De
oorlog was pas tien jaar achter de rug en Duitsers werden nog steeds
moffen genoemd. Wie die familie was, heb ik nooit meer kunnen achterhalen.
We kregen van tante limonade en iets, ik weet niet meer wat, te eten.
Alles was toen schaars. Ik zie oom en tante, oud en grijs, hem in
overhemd, haar in een donkere jurk met schort, nog in de deuropening van
hun huis staan toen we na ons beleefdheidsbezoekje weg gingen. Ze wuifden
ons na. Het bezoekje wordt in mijn herinnering overheerst door het beeld
van de in puin geschoten kathedraal. Daar kwamen we net vandaan. Met mijn
fiets aan de hand heb ik staan kijken naar de hoge, blind geschoten muren
zonder dak. Het was een zonnige dag, staat me bij. Door de gaten in de
hoge muren zag ik het dak, de blauwe hemel en plots een vliegtuig.
Verbeelding of vermenging van twee herinneringsbeelden, ik weet het niet.
Nog was de ruïne herkenbaar als kathedraal. In mijn herinnering zijn
alleen de losstaande, wankele kerkmuren en daartussen het hemels blauw
gebleven. De puinhopen en de kathedraal zijn nog jaren onaangeraakt
gelaten, als waarschuwing tegen de oorlog. Misschien toch ook als protest
tegen de teloorgang van de herinnering aan het kwaad (van de
verschrikkelijke bombardementen, waarover Sebald een boekje heeft
geschreven onder de titel, in Engelse vertaling On the natural history of
destruction). In mijn herinnering de eerste (oorlogs) ruïne tussen
‘Trümmern’, een beeld dat niet meer van mijn netvlies verdwijnt.
Zullen ruïnes zich ooit laten begrijpen? Welke kennis hebben we nodig om
daarop een antwoord te kunnen geven? Archeologen en (kunst)historici
verdiepen zich vaak levenslang in de functie van de oorspronkelijke
bouwwerken, die ze proberen te reconstrueren. Met hun vakkennis komen ze
een heel eind. Dat geldt ook voor de Maya ruïnes, waarover de laatste
decennia boeken met schitterende foto’s zijn verschenen. Geleidelijk
echter maken door toedoen van deze geleerden de ruïnes plaats voor
reconstructies en restauraties in de open lucht of in het museum. Zo
verliezen ze hun raadselachtigheid. Vorm, geur en kleur verdwijnen. Het
geheimzinnige wordt de ruïne ontfutseld. De ruïne is wat overblijft, de
uitkomst van een alchemistisch proces in de natuur - wind en regen,
zonneschijn en bouwmateriaal op elkaar inwerkend volgens een onnavolgbaar
procédé. Het machtig proces van afbraak en erosie, van weerstand en
verlies aan substantie. Wat resteert is de ruïne hier en nu, die je
voorzichtig betreedt, waaruit de geur van vergaan en afbraak opstijgt en
langs je heen vlaagt. Ruïnes zijn voor de bezoeker een oefening in
Gestaltpsychologie. Een muur, een venster, een terras is al genoeg om een
huis, een tempel of piramide te voltooien in de geest. Wat het oog niet
ziet, denkt de geest erbij. Ruïnes zijn telkens weer een momentopname. De
verbeelding krijgt ruimschoots kans tot wederopbouw maar ook tot
melancholie over het verval, de veroudering en ondergang. Alchemie, de
tijd, de natuur, willekeur hoe je het ook noemt, dit hier voor je is de
ruïne. Een verlaten theater belicht door de zon of de maan, de goden die
de Maya’s letterlijk met hart en ziel vereerden. De ruïne laat zich
wezenlijk niet doorgronden anders dan door ernaar van een afstand te
kijken. De blik verenigt voor een moment de stapels steen, de terrassen en
platforms, de trappen en fundamenten tot een geheel. Het is de distantie
die de ruïne in stand houdt. Het betreden van de ruïne tast de
authenticiteit aan en laat zich ervaren als het overtreden van een taboe.
Het is deze paradox die je als bezoeker ondergaat, wanneer je de ruïnes
langs de Ruta Maya, Chichén Itzá, Palénque, Uxmál, Toniná, Tikal en
de andere Maya bouwwerken en verloren steden binnen gaat. Reeds grondig
aangetast door de tijd, verliezen de ruïnes als het ware hun weer-stand en
het vermogen tot zelf-bescherming. Ze geraken in versnelde afbraak door
het verlies aan vervreemding bij gratie waarvan zij eigenstandige
artefacten zijn. Het is als met de adem van de bezoeker, die de
prehistorische rotsschilderingen in opengestelde grotten zoals in het
Franse Lascaux voor goed uitwist.
Dit dilemma onderga je telkens wanneer je
als bezoeker voet zet in de ruimte van de historische Maya ruïnesteden.
Met je onstuitbare nieuwsgierigheid naar het verborgene, die het glansrijk
wint van je aanvankelijke schroom, tast je het oorspronkelijke van de
ruïnes verder aan.
Het
is als komt het destructieve van de Maya cultuur tegen wil en dank
onverwacht weer in beweging, geraakt het in een verwoede
stroomversnelling, een verschrikkelijke modderstroom, die de laatste
vindbare sporen van de Maya identiteit dreigt mee te
sleuren. De Maya-goden lijken ineens weer onsterfelijk en genadeloos in
hun verwoestingsdrang, ongenadig destructief. Maar de modderstroom die de
bezoeker dreigt te ontketenen, wil de restaurateur bij voorbaat indammen.
Niet de ruïnes boezemen hem belang in, maar hun oorspronkelijke staat en
functie in het Maya leven. Niet hoe uit de oorspronkelijke tempels of
piramides ruïnes in deze vorm en van deze tijd zijn geworden. Hoe zij hun
oude vorm en architectuur verloren hebben en waarom juist deze bouwsels
het hebben overleefd. Want dat is het proces van afbraak en van ondergang,
van verlies en teloorgang, van terugkeer naar het grondmateriaal - de
oerstof. Daarin duikt doorheen de stroom van de rede (van de restauratie)
de melodie van de melancholie bij de bezoeker op. Ruïnes worden, eenmaal
ontdaan van hun materiële eigenheid en magie, toeristische trekpleisters
en daarmee dingen van deze moderne tijd, die bijna overal op aarde de
laatste authentieke ruimten publiek maakt. Ze worden deel van deze tijd en
door ons in bezit genomen, ons eigendom en daarmee blijvend van zichzelf
vervreemd.
Eerst nu begrijp ik ook waarom ik bij
thuiskomst van de reis gekozen heb voor een vrije ‘dichtvorm’, die op het
eerste gezicht willekeurig aandoet, want zonder rijm of vast versritme.
Het woord dicht-vorm neem ik letterlijk. Het raakt de vorm en niet de
pretentie een gedicht te schrijven. Immers ik onderneem geen poging om de
werkelijkheid als gedicht te benaderen noch het omgekeerde. Met deze vorm
wil ik dicht bij de ruïne als willekeurige vorm blijven. Ik vertel een
verhaal over dode, gemutileerde steden doorschoten van kleine anecdotes.
Dit verhaal is geen gedicht in de ware zin van het woord, omdat het niet
pretendeert zelf een werkelijkheid te zijn - en dat ook niet kán zijn als
vertelling. Ik heb geprobeerd een schrijfvorm te zoeken passend bij
het landschap van de Maya-ruïnes als toevallig restconstruct van de
onnavolgbare tijd. De terugkerende breuk in de zinsconstructie aan het
eind van elke regel correspondeert met het alles overheersend visuele
beeld van het Maya landschap, de gebouwde ruimte, de begroeide ruïnes, de
verbrokkelde en verzakte piramide treden, de vergraste, vermoste trappen,
de door gebruik van slachtoffers of toeristen uitgesleten stenen van
tempelopgang en offerblok. Zoals onder je voet een steen los raakt,
verkrummelt, je hand houvast aan de muur verliest, de ruïne afbrokkelt
onder het gewicht van je lichaam. Zoals zich hierin weerspiegelt het
kwetsbare, de breekbaarheid van wat van de Maya cultuur in afbraak nog
rest. Zo breekt de dichtvorm zich op in willekeurige regels.
De gekozen schrijfvorm past naar mijn
gevoel ook bij het plotseling opdoemen van Xibalba’s onderwereld, de
gapende toegangen in het karstgesteente, de cenotes, de open gesperde
muilen op de steensculpturen waarin de stervende Maya koning reeds het
hoofd heeft gelegd, de talloze afbeeldingen en schilderingen van de Helden
Tweeling, de redders van het heelal door hun overwinning op de
onderwereld. Zijn dit ook niet alle beelden van de in de Maya wereld
rondwarende bestaansangst, die naar de keel grijpt, de ademhaling afknelt
en dwingt tot een nieuw begin, een nieuwe regel, de gekozen schrijfvorm?
Tijdens het schrijven heb ik gezocht ik naar wat me steeds ontging als
ervaring opgedaan tussen de ruïnes. Het had, meende ik, te doen met het
regenwoud, dat ik tot dan toe slechts als natuurlijk décor van de dode
steden had opgevat. Steeds weer dacht ik er dichtbij te zijn, telkens
ontsnapte het weer. Ooit heb ik een reis gemaakt langs de West-kust van de
Verenigde Staten, door de kustlandschappen van Washington en Oregon,
zuidwaarts naar het goud golvend Californië. De highway daar loopt hoog
soms dicht onder de kust van de Stille Oceaan. Het was een bijna winterse
reis. De diepe oceaan ademde een dichte, oplichtende mist, die
bewegingloos als een wolkenpakket boven het grote water hing. Beneden op
het natte strand stookten Indianen een vuurtje voor hun barbecue. Overal
lag lang, grijs geloogd en kronkelig hout met dikke noesten, wortels en
stammen van zeer oude bomen ooit los geslagen door dezelfde oceaan uit
ergens dezelfde begroeide kustwand. Ik herinner me de meeuwen, hun
gekrijs, maar ook de zee-anemonen bedekt met kapotte schelpen, die
onwezenlijk in stilstaande poelen achter grote rotsblokken lichtjes heen
en weer zwierden, wachtend op hun prooi om te verlammen en op te eten. In
de verte over het verdwijnend water niets dan grijze, dichtgepakte mist.
In dit ondoordringbaar niets hoorde ik gedempt het onophoudelijk aanrollen
van de golven, de branding brekend op de kust. Langs de highway aan
landzijde tegen de hoger opgaande hellingen lag het niet vermoede
regenwoud. Ik liep langzaam over een pad het bos in. Om me heen oude
bomen, onder mijn voeten een laag rottende bladeren. De hoge kruinen zogen
het dunne, waterige licht op. De stammen glommen donker van het druipend
vocht. Ik was nog geen vijftig meter diep het bos in of ik werd een vreemd
gevoel gewaar. Het nevelwoud was immens. Ik zag soms boven me omgevallen
boomstammen, waar overheen wortels reikten naar de grond als groeiden de
bomen niet omhoog maar naar de bodem - als wilden ze weg kruipen zonder te
verdwijnen. Op andere plekken, waar de omgevallen stammen waren weg gerot,
leken de jonge bomen op stelten te staan - een erewacht voor de
onbekende bezoeker. Water siepelde neer langs de stammen, ik hoorde het
niet. Takjes onder mijn schoenzolen, ze kraakten maar ze kraakten niet.
Geen beweging van blad of gefladder van een vogel maakte geruis. Geen
geluid reikte voorbij zich zelf. Hier heerste het rijk van de stilte. Hier
heerste de akoestiek van de dood, de dood van de akoestiek. Hier had de
ruimte van het geluid zich opgeheven, was er slechts een theater van
beweging en stilte. Blikte ik zoëven nog in de grijze spiegel van de
onzichtbare oceaan die luid hoorbaar op de kust bonkte, nu keek ik in de
stilte van het levend regenwoud. Spiegelbeelden, verwisseling van zicht en
acoustiek binnen 200 meter, die ik me herinner nu ik terug denk aan de
verstilde Maya ruïnes diep in het tropisch regenwoud vol cicades, roepende
vogels en brulapen. Leven en stilte overhuifd nabij.
Het is deze ervaring die overeenkomt met het onbestemde, maar intense
gevoel dat me bijna elke ochtend van de reis bekroop. Ontwaakte ik meestal
in alle rust, zoals ik ontspannen naar bed was gegaan in de avond, het
duurde niet lang of ik voelde een dwingende aandrang om de alledaagse
handelingen te willen overslaan. De yoga-oefeningen hielden me nog binnen
een cirkel van rust. Het inpakken van de rugzak, het ontbijt en het
uitchecken uit het hostel, het kopen van bustickets, het gebeurde al onder
de betovering van de gang naar de ruïnes. Er maakte zich een besliste
haast van me meester om op pad te gaan, om de alledaagse dingen achter me
te laten en die wonderlijke ruimten van de ruïnes te betreden. Daar
onderging het leven op slag een vertraging, een verlangzaming, die mijn
geest deed ontspannen en mijn zelfbewustzijn doorlatend maakte voor wat
via mijn waakzame zintuigen ongestoord en direct binnen siepelde. Doorheen
het bladstille regenwoud naderde ik de ruïnes, waarin de dingen tot stil
stand waren gekomen. De tijd had zijn hand van de dingen gelicht, het
regenwoud had de ruïnes afgezonderd. Hier keerden de dingen terug tot zich
zelf. De tempels en piramides, de speelvelden en sterrenwacht, ze wachten
op niets en niemand meer. Ze waren ontdaan van merktekens van de
geschiedenis. Ze verscholen zich in hun oude huid van steen, aarde en
gras. Hun ouderdom had een eindpunt bereikt, grensde voor altijd aan de
eeuwigheid. Ik werd deel van het landschap, mijn ziel werd het landschap.
Voor mij was ook het wachten ten einde zo goed als het verlangen. Hier was
de wereld voltooid, ging ik op in de wereld. Was ik ooit dichter bij de
werkelijkheid geweest? Bij deze gewaarwording van afzondering en stilstand
der dingen is het niet gebleven. Weer terug in het dorp of de stad, waar
ik overnachtte, maalde het door mijn hoofd wat of de aantrekkingskracht
was van deze geweldadige, voorbije, in steen opgetrokken cultuur, die zich
had lam gestreden en in mensenoffers had verbloed. Als er al sprake was
van aantrekking dan was de afstoting - een gevoel soms van fysieke afkeer
en walging - vaak niet minder heftig. Niet alleen het ruïneuze
met zijn taboe-werking van heiliging en ontering speelde mee, hoezeer dit
zich onderweg visueel ook aan mijn geest had opgedrongen. Daarnaast wekte
ook de rituele moord of doodslag van slaaf en krijgsgevangene als offer
aan de goden verboden lusten op, denk ik. Meer nog dan de wreedheid zelf,
waarmee het slachtoffer werd bejegend, was het de wellust van de macht die
zich hier in beeld en sculptuur onbeschaamd en onverhuld toonde als
onweerstaanbaar en absoluut. Een macht die terreur nabij kwam of daarvan
niet te onderscheiden viel zoals tot uitdrukking gebracht in afbeeldingen
van onthoofde krijgers, overwonnenen, die hedendaagse televisiebeelden van
onthoofde gijzelaars in het Midden-Oosten evenaren. Deze offercultuur was
als een spiegel waarop van millennia terug onbestemd licht viel over de
menselijke geest en deze eindeloos reflecteerde, deed schitteren en
verblindde tot ongeremde waanzin en eigen ondergang.
Nog een woord over het mythische van de
Maya cultuur, waarin het oerverhaal zich herbevestigt in zijn voortdurende
herhaling en de vorm aanneemt van een onvermijdbaar lot. De strijd om te
leven doorheen de dood van de verliezer als offer is een uitzichtsloos,
nimmer voltooid, zichzelf vernietigend adagium, waarin de Maya zich
gevangene maakte van zichzelf en zijn eigen ondergang bewerkstelligde. En
zo dringt de vraag op of het verval van de bouwwerken en sculpturen, die
wij graag om hun woordeloze schoonheid voor kunst houden en de sluipende,
maar onweerstaanbare terugkeer van de natuur de Maya uiteindelijk toch in
het gelijk stellen, dat zijn cultuur de grillen van de goden onderworpen
was, terwijl voor ons elke dag de zon opgaat en bij een wolkenloze hemel
beter zelfs, pluk de dag, de tijd aan een ongedwongen, kortstondige picnic
op een piramide kan worden besteed? En vooral of deze luchtigheid van ons
niet het beste weermiddel is tegen de gruwelen van het lot in
mensenhanden? Biedt het hiervóór vermelde citaat van Sebald uit zijn
boekje Austerlitz misschien enig houvast? Dat ook de grote tempels en
piramides door de Maya’s van meet af aan ontworpen werden met het oog op
hun onafwendbare toekomst als ruïnes? Maar voordat ik hierop
spontaan instemmend wil knikken, dringt zich nog een andere vraag op: zijn
deze restanten van de Maya bouwwerken in wezen niet ook dood-gewoon
oorlogsruïnes, zoals ik ooit voor het eerst van mijn leven in Aken zag?
In elk geval is bij het aanzicht van de Maya-ruïnes de gedachte aan een
catastrofe niet ver weg. De gedachte aan een verwoestende kracht en
verstrooiende explosie niet vanuit laag overvliegende bommenwerpers, maar
vanuit de donkere ziel van deze mensenoffercultuur. Een implosie in wezen
van een maatschappij, die uit zijn voegen gegroeid door oorlogsgeweld en
overbevolking, niet in staat bleek zich te voeden en in toom te houden.
Natuurlijk, met een meetlat kun je proberen - voor een beter begrip
- de oorspronkelijke structuur van de dode steden, hun materiële
vormgeving en architectuur te reconstrueren en uit te tekenen. Je kunt
proberen de interne samenhang en vormen van deze historische wereldsteden
te hervinden en te definiëren. De lineaire afstanden tussen tempels en
piramides, hun grondvlak in verhouding tot het oppervlak van het
balspeelveld. De onzichtbare lijnen tussen de toppen van de piramides, hun
schaduwen over de tempels en bestuursgebouwen, de denkbare bogen en
cirkels, waar zon en maan zich doorheen het silhouet van de stad bewegen
Je kunt je afvragen of deze steden volgens een mathematisch kosmisch idee
zijn geconstrueerd tot een geometrische vorm dan wel of ze meer gelijkenis
vertonen met een door vulkanische krachten en grondbewegingen van
aardschollen gegroeide archipel van eilanden, uiteen gelegd maar toch in
een onzichtbaar verband samen gehouden? Vragen en suggesties telkens weer
om de verwarring over de zichtbare chaos van de ruïnesteden tot verklaring
te brengen, orde te scheppen in de geest terwijl het oog verbaasd en
gedesoriënteerd langs de ruïnes glijdt en daarin een esthetisch moment
ervaart. Een chaos wellicht ontstaan door een menselijke catastrofe maar
van een aantrekkingskracht, die zich verlustigt in een mate die de
bloedige wellust van de Maya cultuur nabij komt. Als een dergelijke chaos
zonder grondpatroon vandaag de dag nog een gevoel van een zij het
omstreden of aanvechtbare verrukking teweeg kan brengen, is het dan
uitgesloten dat ook de Mayas van meet af aan de chaos zelf met hart en
ziel waren toegedaan? Is het niet het nooit verloren gegane instinct van
de mens om uit louter verrukking ook het noodlot te tarten en de ondergang
over zich zelf af te roepen? Zoals de Albanese schrijver Ismaël Kadare de
Egyptische Farao Cheops aan het begin van zijn boek ‘De Piramide’ een
ogenblik in verleiding brengt om af te zien van de bouw van een piramide
en daarmee zijn hofhouding, incluis de architect raadgever, tot wanhoop.
Met een dergelijke beslissing zou de Farao zijn eigen rijk ten gronde
richten, immers de piramide houdt de pilaar van de macht in stand.
“If it wavers everything
collapses. He - the architect ( D.C.) - made a mysterious gesture with his
hands, and his eyes went blank as if they really had looked upon a field
of ruins.” Of doe je er beter aan
je toevlucht te nemen tot de verbeelding van de Italiaanse schrijver Italo
Calvino, die in zijn Invisible Cities Marco Polo de Kublai Kan laat
vertellen over een bijna oneindig aantal steden en hem daarmee het
hoofd op hol brengt tot ook de Khan doorziet dat het telkens om een
variant van het onsterfelijke Venetië gaat. Wat zal er van deze glorieuze
stad nog te zien zijn wanneer ze over enkele eeuwen tot halverwege
haar San Marco in het moeras is weggezakt? Zullen alleen de wolhandkrabben
uit het kanaal daarover nog kunnen vertellen?
“ Memory’s images, once they
are fixed in words, are erased, Polo said. Perhaps I am afraid of losing
Venice at once, if I speak. Or perhaps, speaking of other cities I have
already lost it, little by little.”
Terug naar de Maya steden, de dode steden,
de necropolis in meervoud, waarin geen sporen van leven anders dan van
stenen en structuren in afbraak. De steden die zich verbergen in hun
langzaam veranderend landschap van steen, gras, aarde, puin en gruis. Als
zijn ze ongemerkt door een trage morene vooruitgeschoven en onder het puin
geraakt. Dat is wat je kunt aanraken met de hand stenen, puin, gruis, gras
en als je vlug bent een hagedis. Waar zijn ze gebleven de levende steden
schuilgaande in de verzakte muren, verschoven terrassen, de verzonken
treden, de begroeide berghellingen, de ingezakte platforms, donkere gangen
en gebogen doorgangen? Hoe lang zullen ze zich overeind houden. De
zwaartekracht maakt nieuwe bouwwerken grillig van vorm, vrij van
architectonische regels. Nieuwe gestalten komen te voorschijn, droomvormen
van de toekomst. Wanneer zullen ze bezwijken en zichzelf ontmantelen,
ontdoen van hun vorm en stijl om op te gaan in schaduwen en silhouetten
van bouwwerken, facades zonder gezicht. Wanneer zullen ze in het verlies
van hun vorm zich vrijgeven als labyrinth bewoond door de dieren van het
regenwoud en bezocht door vreemdelingen, die hun weg zoeken met
reconstructie-tekeningen in de hand? Aan de reeks vragen lijkt geen einde
te komen. En toch, wanneer je door de dodenstad loopt, een labyrinth is
het niet. Daarin ga je immers op zoek naar het hart of de uitgang en raak
je in verwarring door de herhaling van hetzelfde, de gelijke steensoort,
de gelijksoortige heesters of struiken, eenzelfde breedte en hoogte van
doorgang. Hier tussen de ruïnes kijk je uit over een dode stad, een vlakte
waarin steenmassa’s en fundamenten, willekeurig lijkt het, verspreid
liggen in een ongeordende ruimte, waar de natuur zich binnendringt. Je
stuit hier op terrassen en trappen, die leiden naar nergens anders dan
treden en terrassen zonder uitzicht of grenzend aan een diepte van steen
en kelders van gras zonder uitgang. Je loopt over stepping stones, die
plotseling ophouden, je leiden naar waar je al eerder was achter muren of
onuitgegraven heuveltjes. Zijn deze steden de voorbodes van de zich
uitbreidende leegte, de laatste getuigen in vermomming achter verstarde
maskers zonder uitdrukking anders dan van een vale en lege ouderdom? Weet
je nu plotseling dat de mensen bijtijds de steden hebben verlaten om te
voorkomen dat ze in een desolate ruimte van verdriet zouden sterven?
Begrijp je nu ineens waarom in deze ruimte je lach verstomt en je gevoel
voor humor verdwijnt. Dat je niet ophoudt telkens opnieuw een piramide te
beklimmen, af te dalen en opnieuw te bestijgen om de beklemming te
verliezen en het licht en de open ruimte te zoeken om lucht, om adem, om
vrijheid. En dat vergeefs je stem duikelt over de rest-stad en zijn echo
verdwijnt in de dichter groeiende grassen en struiken?
Dode steden, zeg ik, waar ik ruïnes van steden zie.
Onbewoonde steden, die al sinds eeuwen onbewoonbaar zijn. En alle, deze
steden ook weer anders, verschillend alnaargelang hun oorsprong,
geschiedenis en lot. Geen dode stad die de ander gelijkt als ruïne: Uxmál,
Toniná, Tikal, diep of dieper de jungle in. Anders ook door de dag en het
uur waarop ik ze bezocht heb. Anders als werkelijke ruïne door het licht
en de schaduw, door regen of wind, de hitte, door de geuren en de geluiden
van dieren. Nooit komen die momenten meer terug en nooit ook zullen de
ruïnes zo in stand blijven anders dan in mijn herinnering. Ik weet het
heeft ook te maken met de staat van afbraak, het naderend tijdstip van het
einde, van de reeds historische ondergang. Wanneer de stad in een verre
gaande staat van verval is geraakt, structuur begint te ontbreken, gaat
ook de onderscheiding verloren, de betekenis, het onderscheid. Het
verstand heeft geen vat meer op zijn omgeving. ‘Je tast in het duister,’
geeft beter weer in welke toestand je je bevindt. In een stadslandschap
van ruïnes herken je nog wel elementen, een straat, plaveisel soms, al is
het meer de bodem, brokstukken van muren, gebouwen, deuropeningen en
vensters vaak niet meer dan gaten in gestapelde steenmassa. Wanneer de
stad eenmaal zijn structuur is kwijt geraakt, gaan ook de functies
verloren. Straten wedijveren met de begane grond van huizen, gang en trap
met muurtjes en hellinkjes, deuren met willekeurig welke doorgang naar een
andere plek, verdieping of platform voor een uitzicht op de omgeving. De
elementen worden verwisselbaar en opgenomen in een voortschrijdend proces
van omvorming, afbraak en verval. Je lichaam heeft des te meer moeite om
zich nog te oriënteren, een gevoel van richting te ontwikkelen, zich een
wereld te vormen voor de zintuigen. Licht en donker, schaduw en silhouet,
geur en stank, adem en wind, houvast voor hand en voet, de gang van het
geluid, echo en klank, stemmen van mensen en muziek van dieren, ze dringen
zich sterker aan je op. Misschien krijgt je instinct meer ruimte, word je
waakzamer, ben je eerder gespitst op bedreiging en sta je open voor een
onbeschrijfbaar gevoel van schoonheid. Je handelt instinctief terwijl een
rust en kalmte over je komen. Je slaapwandelt door het landschap, je
verwijlt in een voorbije wereld. Het doet denken aan een haiku van
de Japanse dichter Joso
The Autumn cicada
Dies by the side
Of its empty shell
Wanneer je terugkeert tot de
werkelijkheid, vind je in de chaos, in de ruïnes zonder oriëntatie en
richting, zonder paspoort en leven, de brokstukken, ornamenten, fragmenten
van sculpturen en muurschilderingen. Je vindt, de goden geprezen,
restauraties en reconstructies Goden en koningen, scherfgewijs nog
afgebeeld, zij tonen zich in kleurige schildering op muur en vazen bijna
altijd en profil, zodat de gelijkenis van het hoofd met de vereerde
maïskolf min of meer dwingend is. Hun ogen groot en woest, hun monden
getand en bijtend. Hun gebaren krachtig, beslist en soms gracieus. Dringt
de mythologische stilering van het hoofd zich met kracht aan de kijker op,
ze verhult niet of nauwelijks dat de blik van de afgebeelde zich afwendt
alsof hij zich aan de wereld en zijn oordeel wil onttrekken dan wel zich
zelf bewust wil terug trekken uit deze wereld van meedogenloze strijd en
offer. Het maakt hem - merkwaardigerwijze - niet minder onbereikbaar
dan in zijn confronterende, frontale houding, wanneer godheid of koning in
driedimensionale sculptuur is verzelfstandigd zoals pregnant in stèles of
bescheidener in muurreliëfs. Maar ook lijken deze zeer gestileerde en vaak
verfijnde afbeeldingen in hun afwending te zeggen: wij zijn niet hier en -
misschien zelfs - jij kijker, bezoeker bent hier niet. Dit alles bestaat
niet en heeft nooit bestaan. Het is een droom, die je doet denken aan een
droom. Is dit misschien ook een gestileerde en ingehouden, bijna
kunstzinnige manier om de gedachte aan de catastrofe te
ontlopen?
Tenslotte dit nog. Ik heb niet onderzocht
of tussen de zilverreigers, brulapen, jaguars, vleermuizen, kingfishers en
haviken ook een gevederde slang in werkelijkheid verborgen ging om de
godheid te ontdoen van zijn mythisch aureool en terug te zetten in de
fauna van het Maya rijk. Met eigen ogen zag ik een onbeweeglijke,
ogenschijnlijk onverstoorbare en enigszins angstaanjagende mega pad op de
zwarte modderoever van de Rio Dulce, zonder te kunnen vertellen welke
Latijnse naam hij draagt. Dat was niettemin voor mij voldoende om te
begrijpen dat de Maya’s, evenzeer onder de indruk van dit dier, in reuze
rivierkeien meer dan levensgrote padden te voorschijn bikten tot stille,
stenen zoömorfen. Evenmin ben ik op zoek geweest naar de achtergrond van
de Maya voorstelling dat de wereld vierkant is, wat even dwaas of
verbeeldingrijk is geweest als te spreken van de aarde als platte planeet
zoals men in Europa in diezelfde tijd placht te doen. Het is zonneklaar
dat wie de afbeeldingen van goden, koningen en krijgers bekijkt en zich
verdiept in de muurschilderingen en in de vormgeving van het schrift, niet
zal ontkennen dat de wereld vierkant is. Daarin huisde voor mij al van
jongs af een stoerheid en een kracht, ontdaan van gevoeligheid en
mededogen, die me altijd heeft geïntrigeerd maar niet in gelijke
mate gecharmeerd.
Blijf ik verre van wetenschappelijke
pretenties, ook aan een hervertelling van de Maya cultuur waag ik me niet.
Wie vertellen beter het verhaal van de schepping en de geschiedenis dan de
Maya’s in hun Popol Vuh en gebeiteld in de hoge konink lijke stèles. Over
list en bedrog in het balspel van de onderwereld, waarin het hoofd van een
der tweelinghelden verwisseld voor een pompoen, door een konijn achterna
gezet, weer dood-leuk wordt terug geplaatst op het lichaam van Xbalanque,
de oorspronkelijke eigenaar. Is het waar dat bij wedstrijden in de bal de
schedel van een omgebrachte krijgsgevangene werd geborgen ter herinnering
aan dit mythisch strijd verhaal? Zie hier het gevaar van navertellen
dat al snel ontaardt in een uit het verband gerukte vraag van een dwaas.
Zie ik voor het eerst mijn eigen grijns?
|