|
Tekstfragmenten
Uit het Voorwoord
'Een droom slechts bindt mij aan mijn zijn'
- Fernando Pessoa
... een zakdoekvogel?' vroeg ik ongelovig. 'Ja, zo noemen ze hem,' zei de Javaan
naast me. Hij was klein van stuk, gekleed in een kaki-kleurig pak. Een mooi pak.
Af was het, zoals de man zelf. Glad het intelligente gezicht, tenger het
postuur. Achter zijn brillenglazen zag ik een glimlach. Wij stonden in de
Plantentuin van Bogor op Java en keken naar de lucht, hoog tussen de kronen van
de oude, zeer oude palmen. 'En wat doet het ertoe,' lachte hij, 'zij kennen hun
naam niet.' Vreemd, dacht ik, iets zwarts, iets fladderigs, een zakdoek, een
blinddoek? 'Vogels zijn altijd op reis,' zei ik alsof ik luisterde. De man keek
me aan, langer dan beleefd voor een Javaan. Sprak hij over iets anders? Over
vleermuizen, verzinsels, vruchten, over bomen? Het was winter 1989, natte
moesson. Een grijze lucht.
Op Bali
Voor het eerst reizen we per busje - bemo, waarin een onbeperkt aantal
passagiers lijkt te worden vervoerd. Rekbaar is de ruimte, kneedbaar zijn de
passagiers van vlees, de rijstzakken persbaar. Elke plek heeft een onbegrensd
opnemingsvermogen, is een zuigende mensenspons. Ik zit het liefst bij de
deuropening. Dat blijkt een draaikolk van passagiers, manden, tassen, kippen en
stinkvruchten,doerian. Ik heb letterlijk contact met de mensen. Ze zitten onder
mijn knieën, op de busvloer. Ze schuiven links en rechts mijn dijbeen binnen. Ze
kruipen of wringen zich op mijn knieën en bovenbenen, tegen mijn borst aan.
Hangen in mijn rug, over mijn schouder. Ik groei uit tot een verschrikkelijke
ranonkel. Een vrouw voelt aan mijn neus. Of het een echte neus is en waarvan
zo'n úitstekende neus wel gemaakt kan zijn. Men lacht, men giert, men grinnikt
verlegen. Het Engels dat we spreken begint op geweerschoten te lijken, kort en
luid. Gevolgd door een stilte. Een oude vrouw gebaart vinnig dat ik de
deuropening moet vrijlaten. Als de bemo eenmaal rijdt, spuwt ze haar tabakspruim
de zoevende opening door. We zitten zo dicht bijeen, dat de glimlach overspringt
op mijn gezicht.
Op Lombok
Verder de bergen in ligt aan het eind van de slingerweg het nog traditionele
Sasak-dorpje Senaru. We wandelen erheen in de vroege ochtend. Het is koel en
overal in de tuinen staan kleurige bloemen,fris en geurend van levenskracht. In
de dorpjes onderweg laat niemand zich zien. Er is niemand? Men werkt op het land
dáár, achter de bomen, in de sawa. De Unesco heeft aan het laatste dorpje, waar
de weg ophoudt bij de omheining rond de huizen, een waterleiding en riool cadeau
gedaan. Vroeger haalden de vrouwen het water hoog uit de bergen. Nu blijven ze
in het dorp, stroomt het water naar de vrouwen. In ruil onderhouden de mensen
het dorp in traditionele stijl. Het is omheind met een hek van hoge bamboepalen
en tot cultural heritage bestempeld. Bij de ingang hangt een bord van de grote
schenker. Een dorpsgids leidt ons rond. Hij wordt pas spraakzaam als we een
donatie in de bus hebben gestopt, duidelijk zichtbaar voor alle nieuwsgierige
omstanders, oud en jong. We schrijven onze namen in het boek, een ritueel dat
men graag ziet. Oude mannetjes zonder gebit, zogende moeders en kleine kinderen,
ze kijken toe.
Onbezoldigde inspecteurs van de Unesco, die nu als wachters van het verleden de
tijd met niets-doen verdrijven. De huizen vormen straten en blokken, zijn
gebouwd volgens een ongeschreven plan. De gids geeft ons een kijkje in een huis
op palen met wanden van gevlochten matten. Binnen is een afzonderlijke ruimte
voor heilige handelingen en gebed, de grootfamilie bewoont de restruimte. Er
zijn ook bouwsels waarin de rijst wordt bewaard en tegen ongedierte van alle
kanten zijn afgesloten. Hermetisch dichte rijstschuren als niet de ratten zo
inventief waren. Zij knagen zich een weg door het leven, zoals overal. Zij delen
met de mensen ongevraagd de rijstopbrengst. Bamboe wordt gebruikt voor de afvoer
van regenwater vanaf het dak. De paden tussen de houten huizen zijn van zand en
in de regentijd van modder. Zo woont men hier al honderden jaren, tussen zijn
rijst en zijn kippen, zonder waterleiding en riool. Wat bezielt ons mensen in
hun oude bestaanswijze op te sluiten? Als in een dierentuin, of is het een
gevangenis met vrij entree? Ik vertel de gids dat ik op school al leerde van de
Sasak-cultuur en droomde daar ooit heen te gaan. Hij kijkt me aan en ik denk
'waarvan droomde hij toen hij een kleine jongen was?' Dat hier ooit mensen
zouden komen uit verre landen om naar hem te luisteren? Hij wil ons nog naar
binnen nemen, waar veel mensen bij elkaar zitten om koffie te drinken en gebak
te eten. We zeggen verder te gaan, terwijl we om ons heen kijken naar al die
mannen met oogaandoeningen en hun lotgenoten, de halfblinden en de blinden.
Op Sulawesi
Niet ver van Rantepao ligt Lemo. De bus stopt er beneden aan de weg. We lopen de
weg omhoog. Het is vroege ochtend. Daar rijst een rotswand steil boven de
sawa's, nog in de schaduw van zichzelf. Boven elkaar in nissen met houten
balustrades ook hier het theater der onbeweeglijke doden-poppen, de tau-tau.
Gemengde gezelschappen van stilte en strengheid. Elk jaar herkleed in het
lievelingsgewaad van de overledenen. Vaak in het wit, kleur van de rouw of het
onvergankelijke. Maar onweerstaanbaar, elk jaar vreten de tropen aan de tau-tau,
vreten zich een weg door hun kleed, vreten het weefsel aan flarden. Het vocht
van de tropische lucht dringt door tot op het bot van de doden. Verderop hangen
ze, de doden of wat van hun rest, losjes met bleke botten half uit doodkisten,
die om de bocht hoog aan de rotswand zijn bevestigd. De beenderen doen minder
ter zake dan de tau-tau, maken eerder een verwaarloosde indruk. Ik voel geen
aandrang met een toorts in een begraaf-nis te kijken. De geur van vocht en
bederf is voldoende macaber.
Beneden liggen de rijstvelden, zilverende vlekken, kunstig overspannen in een
netwerk van draden, waaraan blikkerend blik tegen de glatik, de rijstvogeltjes.
Een warrige wiskunde, willekeurige constructie, een vondst die de vogeltjes wil
verwarren. Één ruk aan de draad en de vogels vliegen op. Even later zitten ze
weer tussen de tere rijstplantjes. Zoals vergeefs een vlieger wordt opgelaten,
dag in dag uit, elk uur, onophoudelijk een spel wordt gespeeld met de god van de
wind. Maar er is geen wind hier beneden de rotsklif, alleen de hemel en wolken
spiegelend in het water tussen de dijkjes. Een vrouw want de rijstkorrels. Soms
trekt ze aan de draad. Admiraal-varende eenden duiken als op een onzichtbaar
teken gelijktijdig onder water, verdwijnen en komen kopschuddend boven. Tussen
de vette veren parelende waterdruppels. Ze vegen de veldjes met jonge
rijstaanplant schoon, varen een baantje water donker open en dicht. Horen het
getingel noch laten ze zich verstoren door de ijverige rijstdiefjes. Ze doen hun
werk en hebben een goed eendenleven. In een houten schuur op een dijkje tussen
de sawa's hebben twee jongemannen een schuur van gevlochten bamboe, hun toko. Ze
snijden beeldjes uit hardhout. Voor de prijs van een pakje kretek verkopen ze me
een beeldje. Een mannetje in hurkzit met ingetogen, droevige blik. 'Het mijmert
over zijn land, over het lot van zijn land,' zegt de maker. En hij denkt aan de
heerlijke kretek.
In Thailand
(Ayuthaya)
Het waait hard en we fietsen gebogen tegen de wind in. Bij de ingang van een
tempelcomplex zetten we onze fietsen tegen de muur op slot.Ik kijk nog eens en
zie een abstract kunstwerk. De fiets in de Aziatische stad. Voortbewegende
mensen. Pleinen vol fietsende mensen. Voortrollend, voortdraaiend, pedalend.
Mens op de fiets, een bewegend insect. We wandelen door het ruïnepark en
beklimmen de torens en tempels, die zich laten bestijgen, betreden. In het gras
liggen de harkvrouwen met hoofddoek kleurig bijeen. Tempels worden ruïnes,
vrouwen herbergen het eeuwige leven. Ineens is er de ervaring van historie. Van
wat voorbij is, maar toch aanwezig. Van het vergeefse om in steen zich te
verzetten tegen de tijd. Zich tempels te bouwen van steen alsof ze bestand
zullen zijn tegen verval. Torens op te richten ten teken van heerschappij. Of
wisten de bouwers toen al hoe mooi de ruïnes zouden ogen? Hielden ze van steen
dat verweert zoals wij doen, die hier nu rondfietsen. Van steen die verpulvert
tot aardewerk en verkleurt tot het bruin van de bodem. Steen dat overgroeid
wordt door gras, waar gras ongehinderd voortwoekert over de voet van de torens,
van de tempels, van de opgaande treden. Waar een boom het hoofd van een
Boeddha-beeld met wortels omarmt. En waar torens van ouderdom beginnen te
verzakken, scheef hangen of in het gras verkruimelen. Dit is een stad die
ver-aardt en vergrast. Hier ontbindt zich de historie in pulver en stof. Het DNA
leeft voort, de vrouwen in het gras zijn er het bewijs van. Lijvig en met hark
laten ze zich de wereld niet uitvegen. Zonder vrouwen is de stad niets dan een
verleden. Nu leeft de stad in steen en in gras, leeft en beweegt in de wind.
Dankzij de vrouwen. Als we terug fietsen, stap ik nog eenmaal af en koop een
minuscuul klein, zilverkleurig Boeddha-beeldje.
|