|
Wilde Zwanen
Jung Chang
Hoe drie generaties vrouwen de eerste zeventig jaar van de vorige eeuw in China
beleven en overleven. Adembenemend.
En hieronder slechts:
Hoe ik mij het China uit die tijden herinner.
Wilde Zwanen ofwel de biografie van drie Chinese vrouwen en hun generaties in de
afgelopen eeuw, een zwaar getourmenteerde eeuw. Wat schrijft een mens erover,
die niet daar ter plekke was, maar leefde en werkte in Nederland? Schrijft hij
over zijn veront-waardiging, zijn woede en machteloosheid, over zijn mededogen
achteraf, over zijn onwetendheid? Eerlijker misschien is het zich af te vragen,
wat hij precies wist en dacht over China toentertijd, al leefde hij elders op
dezelfde planeet. Niet om de ervaring zelf, maar vooral om het beeld dat hij
zich toen van China vormde en om de paradox van een parallel bestaan op deze
aardbol. Een mens doet een poging, een mens put uit zijn geheugen, een mens
streeft ernaar rechtvaardig te zijn tegenover de Wilde Zwanen – als dat al kan -
en tegenover zichzelf.
China is een groot land, ver weg, leerde ik op de lagere school. Er zijn veel
Chinezen, zei men. Het gele gevaar, zei men. Ze hebben smalle ogen, een gele
huid, dragen een lange staart van zwart haar. De vrouwen hadden vroeger
ingesnoerde voetjes. Ik kende, toen ik zo klein was, maar één chinees, de
pinda-chinees die bij de ingang van de Bijenkorf stond.
Opengeklapt op de grond naast hem stond zijn koffertje met snuiste-rijen, snoep
en pinda's in cellofaanpapier verpakt. Hij stond er elke dag, ook al was het
winter. Ik dacht toen dat hij uit een heel koud land kwam, waar het eeuwig
winter was en de hele wereld wit bevro-ren. Hij keek altijd strak voor zich uit,
bewoog nooit zijn hoofd, alleen als iemand iets wilde kopen bewoog hij, boog hij
zich voorover. Ik zie nog zijn donkerbruine ogen onder het smalle spleetje van
zijn oogleden en het gelig gelooide gezicht onder de halfleren bontmuts. Hij was
de ondoorgrondelijke chinees.
Toen brak de oorlog uit, verweg in een land dat Korea heette. Mijn vader begon
sigaretten te hamsteren, er was onrust thuis. Men sprak over atoombommen en over
mensen, die naar Amerika wilden verhuizen. In mijn klas zat een jongen, die
ineens met zijn familie naar Australië emigreerde. Men vertelde dat er miljoenen
Chinese soldaten klaar stonden om de grens van Noord-Korea over te trek-ken en
de Amerikanen te verjagen. Ze zouden het land overspoelen, in horden over de
heuvels uit het Noorden komen. Daartegen zou-den de Amerikaanse, automatische
mitrailleurs niet opgewassen zijn. Telkens zouden er nieuwe Chinese soldaten in
dikke, gewat-teerde uniformen en bontmutsen op de heuveltop verschijnen. Dat was
het gele gevaar. We speelden oorlogje thuis en op straat en waren bang voor al
die Chinezen. Maar de pinda-Chinees stond er elke dag weer en er gebeurde niets.
Toen de oorlog in het verre Korea voorbij was, werd er thuis over Chinezen niet
meer gesproken. Ik leerde op school en zelf uit boe-ken over Marco Polo en zijn
reizen naar China en de Kubilai Kan, over de Chinese Muur en de stormloop der
barbaren. Ook vertelde men op school van de Chinese wijsgeren Confucius en Lao
Tse, hun wijze lessen voor de opvoeding van mensen en de eerbied van kinderen
voor hun (voor)ouders. Aan het eind van de middelbare school leerden we bij
geschiedenis over de Boxeropstand tegen de blanke onderdrukking en vernedering
in de 'westerse enclaves aan de kust', over de warlords en de chaos, de Japanse
bezetting van Mandsjoerije, over de Kwuomintang en Tsjang Kai Sjek, zijn vlucht
naar Formosa en de lange mars door de bergen en de eindoverwin-ning van Mao Tse
Toeng. Japan was de belichaming van het Kwaad, vooral omdat het Indië had bezet
en aan Soekarno uitgele-verd. Men sprak altijd van Jappen. Ze waren slecht,
wreed en weer gevaarlijk omdat ze al onze producten goedkoop namaakten. De
Jappen waren de Moffen in het Verre Oosten. Wat Japan in China tijdens de oorlog
had uitgespookt, kan ik me niet meer zo goed herinneren. Daarover werd eigenlijk
niet gesproken.
Aan de universiteit, tijdens mijn studie sociale geografie in Utrecht,
vergrootte ik mijn kennis over China door het lezen van het geogra-fisch werk
'Asia's Lands and Peoples', een Amerikaans encyclope-disch handboek over de
bestaanswijzen op dit immense continent met China als het onmetelijk Heartland,
de onoverwinnelijke conti-nentale landmassa. Ik was onder de indruk van de
verscheidenheid aan klimaten, landschappen, gewassen en minerale grondstoffen,
van de steden en grote rivieren en de onuitsprekelijke en niet te onthouden
namen.Ik droomde van de Gele Rivier, de Jangtse Kiang, die elk jaar weer buiten
zijn oevers trad, het wijde land overstroomde en in een steeds bredere bedding
slib achterliet, waardoor de rivier door de eeuwen heen steeds hoger boven de
vlakte voortstroomde en met steeds meer geraas en kracht door de dijken heen
brak, het werk van duizenden Chinese handen ten spijt.
Het was in die tijd ook dat ik het boekje 'Le Bilan de l'Histoire' las. Ik
herinner me daaruit nog hoe in het binnenste van Azië de stormloop van de
geschiedenis begon en vanuit dat pulserend hart telkens weer nieuwe, nomadische
volken kwamen aanstormen op de grote sedentaire beschavingen in het Zuiden, het
Westen en het Oosten, het Rijk van Het Midden, de grote, solide Ommuurde
Beschaving van het Chinese Rijk. En als er al eens een doorbraak plaatsvond, een
gat in de lange Muur viel, was het altijd weer het onwankelbare, immense China
dat de primitieve binnendringers opslorpte en civili-seerde.
Het was in het begin van de jaren zestig dat wel eens een bericht over
hongersnoden in China doorsiepelde naar het Westen. Ik weet niet of ook toen de
schermutselingen om de kleine eilandjes voor de kust begonnen. Wat later plaats
ik, zonder een boek te raadplegen, de onverwachte bezetting van Tibet en een
dreigende oorlog met India in de bergen.( dat blijkt dus al eind van de jaren
vijftig plaats te vinden) De slapende reus ontwaakte, leek het.
Plotseling stond China in de schijnwerper. Er was een revolutie aan de gang. Men
sprak van een Culturele Revolutie, ontketend door de jeugd, de Rode Garde, die
massameetings hield en een vernieu-wingsideologie verkondigde al zwaaiend met
het rode boekje van de grote roerganger Mao. Op grote schaal bekenden in het
openbaar partijbonzen hun ontrouw, hun verwording, hun machtswellust en
corruptie.
Was inmiddels, 1968, ook in Parijs niet de revolutie uitgebroken? Studenten
bezetten de universiteiten en brachten de Verbeelding aan de macht! Het grote
uur van de vernieuwing was aangebroken. In de reeks zwarte beertjes van Bruna
verscheen het Rode Boekje in Nederlandse vertaling. Ik kocht het, maar was niet
weg van de slogans, nog minder van de geheven handen, zwaaiend met het rode
boekje. Het stond me tegen en deed me herinnerineren aan de foto’s van
hysterische massa's in de Hitler-tijd.
In die tijd las ik naast het dagblad Trouw ook de Groene Amster-dammer. Prof.
Wertheim prees daarin met grote regelmaat de succesvolle strijd van het
communisme tegen de honger. De com-munisten hadden toch maar de distributie
tussen voedseloverschot- en tekortgebieden hersteld. Armoede, ja, maar geen
honger meer. Wertheim schreef later een boek over revolutie en evolutie van
sociale veranderingen. Tegen beter weten in is hij altijd blijven vasthouden aan
dit 'gedachtengoed', erst dass Fressen und dann die Moral. Wat is hij vaak en
meedogenloos bekritiseerd door Rudy Kousbroek om zijn leugenachtigheid, zijn
onwaarachtigheid. De waarheid bleek pijnlijk, al te pijnlijk.
Niet minder verleidelijk was het boekje 'My Village' van Jan Myrdal, de zoon van
het beroemde polemologen-echtpaar Alva en Gunnar Myrdal uit Zweden, dat naar de
geest verwant was aan onze nobel-prijswinnaar en ontwikkelingseconoom Jan
Tinbergen. In de Village beschreef Myrdal het alledaagse leven in een Chinees,
communis-tisch dorp met als referentiekader het oude uitbuitersregime van de
grootgrondbezitters en warlords, het regime van volstrekte willekeur, moord,
verkrachting, doodslag en honger, telkens terugkerende honger en eeuwige armoede
van de Chinese boerenfamilie, waar-aan nu dankzij Mao definitief een einde was
gekomen. Dat dit voor arme mensen mogelijk was!! Het leek wel een sprookje, maar
de schrijver had het van dichtbij, ter plekke waargenomen.
Steeds meer moest ik er van weten. Ik las een historische schets van het Chinese
communisme, geschreven door een zekere North. Ik was niet meer te stuiten en
kocht 'The Birth of Communist China', een dikke Penguin, de naam van de
schrijver is me ontschoten. Daarin werd de Chinese geschiedenis van deze eeuw
grondig en degelijk, afstandelijk en informatief beschreven: de krijgsheren, de
chaos, de armoede, de strijd tussen kwuomintang en de communis-ten, de Japanse
uitbuiting en terreurmachine, de lange mars en de overwinning van het
communisme. Ademloos gelezen. Alles ver weg, maar tegelijk het verslag van een
mega-gevecht, de heroische strijd om de zelfbevrijding van de verziekte Grote
Draak.
Toen legde ik de hand op een dik boek in de uitverkoop (!!) 'Mao' van een zekere
Horvath, een voor mij onbekende Hongaarse schrij-ver. Met een grote dosis
toelichtende cijfers en getallen beschreef hij de 'strijd tegen de armoede en
honger', die één grote orgie bleek te zijn van moordpartijen, terreur,
vernedering, meedogenloosheid, bruutheid, mensonterende dwang en onderdrukking
van miljoenen, die stierven als ratten, gevangenen, gelynchten, gefusilleerden
en in wanhoop gepleegde zelfmoorden. Het rode boekje en de culturele revolutie,
één grote dodenzang, waarlijk een zwanenzang. De schellen vielen me van de ogen.
De schok was groot, onherstelbaar.
Als later de economische hervormingen inzetten onder Deng, houd ik me mentaal
afzijdig en lees de berichtgeving zonder illusies.
Wanneer het verschrikkelijke van het verschrikkelijke lijkt bezonken, keert de
nachtmerrie terug en verschijnt op het Plein van de Hemel-se Vrede de lange,
slungelachtige jongeman met tassen in de hand, achterwaarts dansend voor de
langzaam rijdende zware tank met bewegende vuurmond uit. Hij voert een
balletdans uit op onzichtbaar ingesnoerde voeten van een nog verboden
democratie.
En nog niet zo lang geleden zag ik op het grootdoek 'PU-YI, de laatste keizer
van China' en de kleine films 'de Rode Lantaarn' en 'the Concubine'. China, land
van verschrikkingen, land van miljoenen Wilde Zwanen, die anoniem wegvaren op de
golven van de Chinese geschiedenis.
D.C.
|