|
De Valstrik
Giovanni Chiara
Dit boek schreeuwt om mededogen! Okay, is dat alles? Neen, er is meer. Want het
is niet het boek maar het zijn de personen, die om mededogen vragen. Ja, goed,
zonder twijfel een verbetering in de uitroep. Maar wat bedoel je precies? Wel,
eenvoudig: zoals álle mensen streven ook de personen in de Valstrik naar geluk,
maar dat valt ze niet in de schoot. Sterker nog, ze lijken er geen van allen
voor in de wieg gelegd. Net zo min als wij misschien. Hoe ze ook hun best doen,
het wil niet erg lukken met het geluk. Integendeel, het noodlot loert om elke
hoek al wordt het door Don Gaetano wel honderd maal tegen gesproken. Bijna elke
paragraaf eindigt met een meestal morose verrassing. Het kan een Beretta 7.65
zijn, het einde van Pasquale Scibè of de spookachtige witte bidsprinkhaan. En
hiermee ben ik na het boeddhistisch aanloopje over het aardse drama in dit
boekje beland bij het schrijverschap van Chiara.
Kan ie schrijven dan, volgens jou? Ja, het lijkt me wel, begin ik voorzichtig.
Maar het is altijd lastig dat te om-schrijven. Ik had het boek al gekocht
voordat Ary Prins er mee stond te wuiven. En waarom dan wel? Ja, vaak zijn het
de eerste zinnen, is het de openingszet om in schaaktermen te spreken. Is ie
goed, dan ruik je de rest al. Het kan geuren naar liefde, drama, de dood of
leven, ja leven of eenzaamheid. Noodlot, zei ik hierboven al. Je kunt ook zeggen
‘het haasje’. Ik lees het dus voor de tweede keer, nog steeds helaas in
vertaling.
Hups, daar is de kat. Maar zo simpel is het niet. Meteen is er een ingewikkeld
stelsel van terrassen. Dit belooft dat het toch gecompliceerd zal worden. Hele
vlakten dakpannen doen vermoeden dat het leventje niet alleen op de vierkante
centimeter zich zal voltrekken. Het ziet niet geel van gewone mossen, maar van
korstmossen. Zoek dat maar op in het woordenboek. Ze schijnen net als de kanarie
in de kolenmijn iets over de zuiverheid van de lucht in de stad te zeggen.
Daar zijn de vogels, maar anders dan de kat, die omhoog geklommen was, wachten
de vogels. En daarmee weet je dat er iemand zit te kijken of de scene ziet/filmt
misschien wel. Die vogels wachten natuurlijk helemaal niet, iemand ziet dat ze
opvliegen als de kat bij de dakgoot opduikt. En hij hoort het ook, het lawaai.
En wanneer je ziet dat ze met hun fladderende vleugels het lakblauw - geen
gewoon blauw - zwart kleuren, weet je dat er onheil dreigend in de lucht hangt.
En zo verschijnt Don Gaetano op het terras aan de voorkant met zijn beetje
schamele was dat zijn eenzame bestaan opleverde.
En zie dan eens hoe tersluiks Corrado verschijnt een paar regels verderop,‘...
en de kat in de ruimtes beneden, op de plek waar Corrado’s auto heeft gestaan.’
Hij is van meet af aan de lege plek, waar omheen het verhaal draait met als
vleugels de verlorenheid en de vervreemding in een dorp, aangeraakt door het
moderne, industriële leven van elders.
Ik las de Valstrik in Portugal tesamen met het boek ‘Christus kwam niet verder
dan Eboli’ van de Joods-Italiaanse arts Carlo Levi ( niet Primo Levi, dus). De
schrijver is verbannen in de Mussolini tijd naar het zuidelijk bergland in de
laars van Italië, dat grenst aan de Golf van Tarente. Het Andere Italië, het nog
steeds heidense Italia vol van mythe, magie en misère.Wat Levi zo indringend
beschrijft in zijn ballingschap, vertolkt Chiara in de Valstrik: het
onontkoombare voor arme mensen, wie geen gelukkig leven beschoren is. En zonder
de maffia te noemen, waardoor het lokale van de story wordt overstegen.
Chiara heeft onmiskenbaar een zuidelijke stem - een stem uit de Mezzogiorno, als
ik Sicilië daartoe mag rekenen, maar met een eigen, menselijke klank. Hij heeft
de trillingen opgevangen van het oeroude dorpsleven, het timbre van de
traditionele, verknoopte gevoelens vernomen, de tonen van het alledaags
menselijk verzet en de onmacht beluisterd, de rillingen gevoeld van mensen, die
hun leven vergokken en van dieren die op sterven liggen. Een uitzichtsloze
neerwaarts spiralende somberheid in een lichte toets van allermenselijkste
ondeugden gezet, zodat je je tenslotte na een tijdje alleen nog de vluchtige
geur herinnert van een ongelukkig voorval, het leven en de dood van een vader en
zoon. Een vluchtigheid gevangen in het beeld van een opvlucht van vogels,
wanneer de kat bij de dakgoot opduikt.
Het doet me een beetje denken aan ‘enkele onwaarschijnlijke aantekeningen van
Dante Alighieri bij het schrijven van zijn goddelijke komedie,’ zoals door Toon
Tellegen (Nederlandse schrijver/dichter) geschreven. In het voorwoord zegt deze:
‘De poëzie van de Divina Comedia van Dante is de mooiste poëzie die ik ken.
Poëzie moet licht uitstralen, zelfs als zij over de hel of over de diepste
duisternis gaat. ..Al lang geleden heb ik geprobeerd fragmenten te schrijven die
lijken op de fragmenten van Dante, met zijn soort vergelijkingen en zijn soort
dialogen, alsof ik ze in proza uit zijn Italiaans heb vertaald.’ Hij is daarin
wonderwel geslaagd, meen ik, zo goed als Chiara voor een kleine tragedie een
eenvoudige en bescheiden manier van concreet en zeer lijfelijk schrijven heeft
gevonden, dat een licht schrijnend gevoel in de ziel achterlaat als die al
bestaat.
D.C.
|