|
Kade der Ongeneeslijken
Joseph Brodsky
(vertaling Sjaak Commandeur)
Dit boekje gaat over Venetië, de Italiaanse stad waar de Russische
schrijver/dichter Brodsky vaak de winter doorbracht. Het is een verzameling van
overdachte impressies van de stad en herinneringen uit zijn leven.
Dit is de stad en niet de stad, die bestaat. Dit is het eilandenrijk, waar de
dichter voet aan land zet en zegt: dit is de stad niet, dit is mijn stad. Het is
zijn rijk, zijn domein gedompeld in water, waarin ‘ijdel’ - in de dubbele zin
van het woord - zich zijn ziel spiegelt. Vergeefs, want in leeg winterlicht om
zich heen, verliest de ziel zich in een prismatische weerkaatsing, ijdel ook
want niet meer dan een silhouet, dat verdwijnt wanneer het zich om draait. In
elk straatje en op elk pleintje ervaart de schrijver de leegte van de
architectuur, die krult, schittert en porceleint rondom het water dat zachtjes
voortkabbelt om de eenzaamheid en de stap te dempen van de dwalende ziel op zoek
naar een stilstand als sluitstuk van eeuwige beweging. Een Russische dichter
opzettelijk verdwaald in de stad van de lagune, waarover de Nederlandse dichter
Herman van den Bergh in zijn Marce Evangelista Meus, ooit schreef
...
Zien we de lelie waar zij ligt
op drift, ontvouwend voor de zee
de zieke trots van haar gelaat
bij schemer, en een uit ‘t scharnier
gelichte lustige energie.
Niet slecht geschreven, vooral niet als hij even later nog zegt: ‘de
wolhandkrabben van ’t kanaal beklimmen sluw het rotte hout’. Die wolhandkrabben
zijn, hoewel nooit door mij gezien, alleen al om hun naam onvergetelijk. Venetie
is tenslotte ‘de absolute verzameling der steden’, alle onzichtbare steden van
Italo Calvino ineen - zie ook blz 84, vijfde regel van beneden, waar Brodsky
spreekt van een Calvinoësk idee. Niet alleen het baksteen toont gelijkenis met
de structuur van onze hersenen, maar ook de stad en zeker de Stad in het Water
met zijn wolhandkrab. In het labyrint van de watergangen beweegt zich de geest
van de dichter, die zijn oponthoud viert in elke nis van de Europese cultuur.
Het kleine boekje met de kleine paragrafen zonder naam is berstensvol gedachten,
associaties en door het verstand beteugelde emoties. En door het laatste is het
ook zo weerbarstig,maar goed leesbaar, een beetje lastig te savoureren,omdat
bijna elke vrucht, die de dichter ons aanreikt, eerst gewassen, dan geschild en
tenslotte nog eens in partjes moet worden gesneden alvorens we het aroma gewaar
worden en de sappigheid van het vruchtvlees kunnen proeven. Waarmee ik onrecht
doe aan de metaforische genoegens, die hij direct grijpbaar voor ons uitstalt.
Men dient een lezer te zijn opgegroeid in de Europese cultuur en niet verstoken
van kennis van de Europese literatuur om dit boekje op waarde te schatten. Het
is een verzameling herinneringen van Europese herkomst meer dan een gedenkboek,
hoewel Venetie zeker trots kan zijn op deze ode aan de stad - een waterdruppel
waarin de speelsheid van de menselijke creativiteit zich weerspiegeld ziet. Als
zodanig is het een gedegen weermiddel tegen het hedendaags toerisme van shoppen
en kiekjes schieten al dan niet met video- of digicamera. En dan te bedenken dat
ik ooit een vriendin van me Brodsky’s ‘A guide to a renamed City’over Leningrad/
Petersburg te lezen gaf ter voorbereiding van haar bezoek aan die stad. A guide
tenslotte, zegt Brodsky zelf. Maar de vrouw was/is dan ook stedebouwkundige van
huis uit. Zelf herinner ik me, hoe ik in Venetië getroffen werd door de
akoestiek van de stad met zijn binnenplaatsjes en vooral van de dempende werking
van het water op de naderende stap. Misschien was het voor Brodsky, ooit geboren
in Leningrad, een stad die ik nooit bezocht heb, zo vanzelfsprekend, dat het hem
welhaast ontging. In eerdergenoemd essay over zijn geboorteplaats schreef hij
‘by the end of May, when the White Nights arrive in the city ... ‘It’s so quiet
around that you can almost hear the clink of a spoon falling in Finland.’
Jehoort het, Leningrad, het tegenwoordige Petersburg, is geen Venetië. Veeleer
is het een ziekte, Venetie, een invasie van het land in de zee, gedoemd ten
onder te gaan, ongeneeslijke kade van ‘schitterende’ hoogmoed, waar de
onvermoeibare wolhandkrab huist.
D.C. |